|
Het schaatavontuur hieronder dateert van 1996 of daaromtrent.
Door Sjaco Karmelk
Een kwartetje schaatsers doet de Bannetocht. Van dikke sneeuw, woonboten en ijs met een minimum aan scheuren. Ondertussen zoek ik mijn slippers, moeilijk, want die hebben, zoals alles om deze tijd, nog een schutkleur. Waar ben ik in godsnaam mee bezig? Met net een drukke werkweek achter de rug, ga je toch niet uit vrije wil, nota bene op zaterdagochtend, voor achten je bed uit? De thermoskan druppelt vol koffie als ik me in mijn schaatskleding hijs. Het haastig gesmeerde stapeltje boterhammen stop ik als laatste in mijn rugzakje. In huis is het te koud om er lekker bij te gaan zitten. Het ontbijt schrok ik dus maar voor de helft naar binnen. Onderweg, als de auto op temperatuur is, pak ik nog wel een boterhammetje. Spoel met de laatste slok koffie wat beschuitkruimels naar binnen en ik fluister Ineke toe dat ze er wel erg knus bij ligt en dat vooral nog een paar uur moet blijven doen. De huisdeur trek ik zachtjes achter me in het slot.
We besluiten met zijn vieren in één auto te gaan. Samen uit, samen thuis. Verschil in schaatsprestaties tussen Cees, Erwin, Sander en mij is er op de clubavonden nauwelijks. Nu maar eens zien wat er overblijft van onze kwaliteiten op echt ijs. Evengoed zal het van de beste de nodige consideratie eisen. De minste onder ons zal op zijn tandvlees de meet halen. Enfin, we zien wel.
We komen in de buurt van Neck, de weg wordt witter. Wanneer we ons willen inschrijven voor de Bannetocht is de organisatie nog doende met de voorbereiding. We leggen uit dat we zo achterlijk vroeg zijn omdat er voor vanmiddag andere plannen op verwezenlijking wachten; naar een woonwarenhuis. En dat wordt weer veroorzaakt doordat we getrouwd zijn en zo. De vermoedelijke voorzitter van IJsvereniging EMM Wijde Wormer kan denkelijk op een veel langere ervaring op het terrein van de echtelijke verbintenis bogen. Hij knikt ons begripvol toe. Hij weet dat het aalglad terrein is. “Tis mooi ais, maar tis ook nonnie schoneveegd. Is wel beitje link raaie zo. Kaaik maar goed oit”. Zonder stempelkaart maar met de zege van de lokale ijsmeester zoeken we het ijs op. Het ongeschonden sneeuwdekje op de houten bankjes verklapt ons dat we inderdaad de eersten zijn. Eén mouwveeg en de sneeuw is eraf. We zitten en veteren. Sander staat als eerste. “Als dit al zo lang duurt, wat moet dat straks dan worden?” De kou geeft hem een tekstballon van bevroren adem. Nog geen minuut later zijn we vertrokken. Naast elkaar schaatsend, gaan we naar het westen over de ringvaart van de Wijde Wormer. Beetje lullen, beetje wennen, beetje klagen. Hier en daar komt de sneeuw tot aan onze schoenen. In de luwte van de woonboten aan de linkerkant van de vaart, is het pak sneeuw het dikst; wel tot onze enkels. Wij rijden vooral rechts. Zachtjes voortschaatsend realiseer ik me dat er voor schaatsverkeer geen degelijk verkeersregelement bestaat. Welbeschouwd is het ook een merkwaardige situatie. Zo, met de snelheid van een fietser, verplaatsen we ons op een route waar doorgaans het vaarreglement van kracht is. De woonboten links van ons, zouden volgens het vaarreglement opeens aan bakboord liggen. Misschien luidt artikel zus en zo, dat het vaarreglement slechts bij temperaturen tussen de nul en de honderd graden Celsius van kracht is. Ach, het is niet meer dan normaal dat wij, brave schaatsers, rekening houden met elkaar. De sneeuwlaag dempt het geluid van de slagen. We komen stilletjes op temperatuur. Ook duurt het langer. We hebben nog geen scheuren gevoeld. “mooi ais” lijkt een verdedigbare stelling. Wel zijn we permanent op scheuren bedácht. Met uitzondering van Sander die niet weet wat vallen is; ‘doorraggen’ is ook nu weer zijn op peilloos diepe, psychologische inzichten gebaseerde advies. Ik ben bang voor woonboten. Preciezer: ik ben bang warm huishoudwater – gemorst door woonbootbewoners - dat ijs doet smelten. Ik weet ons viertal zo te laten voorsorteren dat deze vaart bijna in zijn geheel rechtsrijdend afgewerkt wordt. Als de bewoonboote wereld ruim achter ons ligt zien we een iel rood-wit lintje wapperen. Voor ons duidelijk genoeg, maar wij zijn dan ook niet voor de eerste keer met de Bannetocht bezig. Voor argeloze gezinnen, erop uitgetrokken voor een dagje winterse pret, is deze manier van bewegwijzering gemakkelijk het begin van het einde. Het uitvoerend orgaan van de organisatie achter de Bannetocht, moet inmiddels al op sjouw zijn met sneeuwschuivers en een pak staketsels, waarop gespijkerd huisvlijt aan pijltjes en bordjes. Dat is tenminste wat we hopen. We laten ons afremmen door de sneeuw en klunen het talud op. En af. Het slotenstelsel in de Enge Wormer is op de tekentafel uitgerekend. We schaatsen verschillende bochten naar links en vele korte rechte stukken. Vanzelfsprekend komen bochten naar rechts ook in het parcours voor, die zijn schaatstechnisch echter van een geheel andere orde. Het lukt geen van ons om een bocht naar rechts een beetje soepel te nemen. In hoeverre gehoorzamen de willekeurige spieren aan de wil? Bij de geconditioneerde ijsbaanschaatsers die wij blijkbaar zijn, treedt subiet spierdebiliteit in bij een bocht naar rechts. Nadat we een kwartier lang herhaaldelijk op deze tekortkoming zijn gewezen, verlangt het parcours van ons dat we tot het onvermijdelijke klünen overgaan; dwarsliggend asfalt. We doen Jisp. Mooi dorp. Zonder de doodse stilte is het er vast en zeker gezellig. We zien hier wel de eerste andere schaatsers, in leeftijd variërend van vier tot negen. Verdere is Jisp voor kennisgeving aangenomen. We willen nu naar Spijkerboor, kijken of ze daar wakker zijn. De oevers wijken uiteen, en op het breder wordende ijs is zowaar een strook schoongeveegd. Applaus! Dat het ijs er goed bij ligt kunnen we voor het eerst nu zelf zien. Wat er aan scheuren in zit, wordt verraden door de sneeuw waarmee ze volgeplamuurd zijn. Halverwege een lang, recht stuk zien we zwarte stipje boven de witheid van de weilanden uitsteken. De bewegingen zijn niet zo gelijkmatig als van fietsers en veel gelijkmatiger dan van hardlopers. Het moet dus om schaatsers gaan. Opgelucht, dat er nog meer vroeg-gestoorden zijn, bestempelen we de verzameling stipjes tot richtpunt. Inhalen hoeft niet, als ze maar dichterbij komen. Sander verhoogt het tempo, hij dicteert ons een comfortabele basisfrequentie. Alleen de scheuren en de oneffenheden brengen er variatie in. We doen aan synchroonglijerij. Om de beurt houden we elkaar een tijdje uit de wind. We kletsen elkaar toch al niet de oren van het hoofd. Het gesprek verstomt helemaal als Erwin een tijdje voorop blijft rijden. Hij overtreft zichzelf. Hij drukt het gaspedaal door de bodem. Verbaal komen we niet verder dan hijgen. Maar ook dat is duidelijke taal. Pas nadat we unaniem hebben vastgesteld dat de stipjes stippen zijn geworden, laat Erwin zich afzakken. Nu voer ik ons kwartet aan. Het is altijd lastig te schatten wat de invloed op de snelheid is van je eigen kopwerk. Ik ben vaak benauwd dat we door mijn toedoen een wandeltempo krijgen; met als gevolg dat ik mezelf opjut tot een snelheid die mijn klerkenconditie te boven gaat. Aflossing is verlossing. 'Den oefenmeesters ijdelen hoop', Sander, gaat nu voorop. Alles wat hij aan training heeft geïnvesteerd in het benaderen van de ideale schaatshouding is verspilde moeite geweest. Nog rechterop schaatsen is onmogelijk. In vierde en windstille positie, ben ik goed en wel weer op adem gekomen als Cees overneemt. Gaandeweg - kan hij niks aan doen – dwingt hij ons weer om schaatsen als serieus tijdverdrijf te zien. Onze snelheid is zeer behoorlijk, maar ik kan niet beweren dat ik er mijn gemak van kan nemen. Met mijn mond wijd open hijg ik me de pokken. Erwin neemt kop over en is bereid om Cees' tempo als basis te zien voor zijn plannen, zijnde: de stippen inhalen voor we Spijkerboor inrijden. Onder zijn regime neemt de snelheid weer toe en de souplesse af. Wat 'm bezielt is niet helemaal duidelijk. In elk geval was hij daar een paar weken geleden nog niet zo toe in staat. Ik denk – weet zeker - dat ik deze race niet veel langer leuk kan vinden. Ik neem me voor mijn trainer in ere te houden. Hoor het 'm zo zeggen: “Als je diep zit ga je onder de meeste wind door”. Alleen als ik technisch goed blijf rijden hoef ik niet af te haken. Het ijs is er mooi genoeg voor. Als de stippen snel naderen zijn het tegenliggers geworden, want de laatste kilometers voor Spijkerboor hebben we met tweerichtingsverkeer van doen. Dat we niet voor Spijkerboor ‘erop-en-erover’ gingen, is geen reden ons te schamen, of het moet voor aanmatiging zijn. De vijf stippen kunnen namelijk heel best schaatsen. Ze zullen wel richtpunt blíjven, denk ik. Ondanks de vroegte draait de ijsmiddenstand down town Spijkerboor al redelijk warm. Dat ik wel in ben voor chocolademelk, heeft minder te maken met dorst dan met de meegeleverde pauze. Met een volle beker kun je immers niet schaatsen? Jammer dat de chocolademelk niet bloedheet is, dat we niet eerst moeten blazen en met kleine slurpjes mogen beginnen. Na ruim twee tellen heeft Erwin zijn bekertje leeg. Ik weet het te rekken tot wel tien tellen en ben duidelijk de sloomste. Als laatste stap ik het ijs weer op. Alles bij elkaar heeft het geen minuut geduurd. We rijden nu versa waar we zonet nog vice reden. We jagen niet, 't gaat iets rustiger. We zwijgen omdat het lekker gaat. Het lijkt wel ingefluisterd door een aflevering uit de bouquetreeks, want pardoes treft ‘bekoorlijk' me als hét woord dat recht doet aan het witte landschap waarin we rijden. We gaan met lichte rugwind op een bocht naar rechts af. Rechtop, onze benen vallen stil. Alles valt stil. Niets maakt nog geluid. Alle vier zijn we geraakt door de volmaaktheid van het totaal. Pas als we tot stapvoets zijn afgezakt, komen we opnieuw in beweging. Op slag is de betovering voorbij. Uit respect of om een herhaling af te dwingen, blijven we langzaam en geruisloos rijden. Dat gaat wel lekker, maar we beseffen dat een ervaring als daarnet volstrekt ongrijpbaar is en zich niet op verzoek herhaalt. Is maar goed ook, want het zou een mooie boel worden. Dan krijg je binnen de kortste keren gesponsorde universele gelukservaringen. Schaatsen om het schaatsen. Dat is precies wat de stippen ook doen. Want Jisperveld komt snel dichterbij, de stippen doen het nog veel sneller. We zijn weer op een tweebaansweg, waar de sneeuwschuiver nog maar net overheen is gegaan. Zoals het hoort, keren we bij het keerpunt. Het schoongeveegde ijs is breed genoeg om naast elkaar te rijden. Voor de verandering wel aardig. We schatten over tien minuten weer bij onze startplaats Neck te zijn. We evalueren de hele gang van zaken en omdat het nog steeds vroeg in de ochtend is, maken we ons op voor nog een rondje Bannetocht. We spreken af voorlopig bedaard te rijden. Erwin meent op kop te moeten, beheerst zich en voert ons besluit redelijk uit; voor zijn doen. Het schrapende geluid dat hem bijna altijd begeleidt blijft achterwege. Ik kijk om, even zien of Sander en Cees al naar adem snakken en het dus naar hun zin hebben. Klang! Mijn kop stuitert op het ijs. Alles wat ik aan voorwaarste snelheid had, is omgezet in een neerwaartse beweging. Ik wil blijven liggen, dat is het enige dat door mijn hersens suizebolt. De eerste tellen weet ik nog niet wat het ergst is. Mijn knieën, mijn borst of toch maar mijn hoofd? Ze willen me weer op de been helpen, maar ik wil helemaal niet rechtop. “Laat me nog even met rust. Gaan jullie maar vast. Ik kom zo wel!” Ze zijn niet bijster gehoorzaam. Ze hijsen me omhoog. Ik hang tussen hen in. Langzaam geven ze me weer mijn gewicht terug. Staan gaat wel, schaatsen moet ik weer leren. Ik lijd! Alles is stijf aan me. Ik strompel vooruit en probeer oorzaak en schade vast te stellen. Het lijkt er sterk op dat mijn rechterschaats klem reed in een scheur waar je niet meer uitkomt. Een zogeheten rotscheur. Mijn linkerslaap en jukbeen zijn gezwollen en versierd met schaafwonden. De pijn daarvan valt weg tegen de achtergrond van de andere pijn. Ik ben niet gelukkig als ik een hand sneeuw tegen de zijkant van mijn hoofd druk. Dat verdooft niet, maar het is wel een sensatie die het pijnassortiment compleet maakt. Het trio wil door. Het kwartet nog niet. Toch gaan we. Ik beloof mijn best te doen en ben al tevreden als we vooruit gaan. Iedere scheur pikt mijn radar feilloos op; respect man! Onwillekeurig neemt de snelheid weer toe. Zo merk ik dat bij mij de fut eruit is. We spreken af dat ik de horeca van Neck ga onderzoeken. Cees, Sander en Erwin beloven nog een rondje te rijden en me daarna op te pikken. In café 'De Posthoorn' ligt de zaterdagkrant op mijn aandacht te wachten en voor de koffie moet ik vijf minuten geduld hebben. “Geeft niet hoor, ik heb wel even tijd”, stel ik de kastelein gerust. “Weet je wat? Doe er ook maar zo'n mooie punt appeltaart bij. En als je hebt een paracetamolletje.”
|